| Verboden leeftijdsonderscheid in VUT overgangsregeling |
|
|
|
| maandag, 10 september 2007 17:28 |
|
Recent heeft de Commissie Gelijke Behandeling een oordeel uitgesproken over een VUT-overgangsregeling in de tijdschriftenbranche. Deze regeling voorzag in een premieheffing bij 55-minners ten behoeve van het behoud van een VUT-regeling voor 55-plussers. Het oordeel was aangevraagd door een 55-minner die zelf slachtoffer was van de leeftijdsdiscriminatie in deze regeling.
De Commissie heeft als oordeel uitgesproken dat het hier een verboden vorm van leeftijdsdiscriminatie betreft.
Dit oordeel (te vinden als 2007-150 op www.cgb.nl) vertoont zowel opmerkelijke overeenkomsten als opmerkelijke verschillen met een eerder oordeel van de Commissie, te weten 2005-219. In dit eerdere oordeel betrof het een VUT-overgangsregeling in de onderwijs- en overheidssector. Het ABP, het pensioenfonds voor onderwijzers en ambtenaren, heeft op 1 januari 2006 een VUT-overgangsregeling ingevoerd die voorziet in een premieheffing tot 2023 ten behoeve van het behoud van een VUT-regeling voor degenen die –op dat moment- 55-plus waren.
In beide gevallen betreft het een VUT-overgangsregeling tengevolge van de invoering van de Vut, Prepensioen, Levensloop (VPL) wetgeving. In beide gevallen is de regeling afgesproken door de CAO-partners in die branche. In beide gevallen wordt een leeftijdsonderscheid gemaakt: 55-plussers behouden hun riante VUT-regeling, 55-minners verliezen hun vooruitzichten maar worden schadeloos gesteld doordat ze de regeling van de 55-plussers mogen betalen.
Er zijn ook frappante verschillen, om te beginnen met de uitkomst van het oordeel. Waar de regeling in de tijdschriftenbranche volgens de Commissie verboden leeftijdsdiscriminatie toepast, is dit in de zienswijze van diezelfde Commissie niet het geval bij het ABP. Een tweede in het oog springende verschil is de duur van de discriminatie: waar in de tijdschriftenbranche slechts een jaar lang premie wordt geheven van 55-minners, is dat bij het ABP gedurende 17 jaar.
Ook zijn er enige saillante procedurele verschillen: zo heeft de Commissie bij het latere oordeel, in de tijdschriftenbranche, hoor en wederhoor toegepast. In het eerdere oordeel is dat niet gebeurd, daar heeft de Commissie alleen het oor te luisteren gelegd bij de opstellers van de regeling, die –het behoeft geen betoog- geen verboden leeftijdsdiscriminatie konden ontwaren in de door henzelf ontworpen regeling. Ook zien we een opmerkelijk verschil in de tijd die de Commissie heeft uitgetrokken voor de oordeelsvorming: in de tijdschriftenzaak heeft de Commissie zichzelf bijna twee jaar gegund om tot een weloverwogen oordeel te komen. In de eerdere –en zeer complexe- ABP zaak waren dat vijf (!) weken.
Het bovenstaande roept natuurlijk enige vragen op. Hoe kan het dat twee zaken die inhoudelijk zozeer op elkaar lijken –beiden immers reparatie van de VPL wetgeving ten faveure van de vergrijsde vakbondsachterban- zo verschillend door de Commissie behandeld worden? Is de Commissie Ongelijke Behandeling niet een meer trefzekere benaming?
In ieder geval zal de rechter zich binnenkort buigen over de ABP zaak: op maandag 24 september houden AVV en ABP pleidooi bij de rechtbank te Heerlen over deze zaak.
|